003-7166583-9724168

WyrokETPCz2021-10-29

Analiza orzeczenia

Sekcja wygenerowana przez AI na podstawie treści orzeczenia — nie stanowi cytatu.

Zagadnienie prawne
Czy Rosja ponosi odpowiedzialność za zestrzelenie lotu MH17 i naruszyła swoje obowiązki proceduralne w zakresie skutecznego śledztwa, co stanowi naruszenie praw do życia, zakazu nieludzkiego traktowania, rzetelnego procesu, poszanowania życia prywatnego i rodzinnego oraz skutecznego środka odwoławczego?
Stan faktyczny
W dniu 17 lipca 2014 r. samolot Malaysia Airlines lot MH17, lecący z Amsterdamu do Kuala Lumpur z 298 osobami na pokładzie, rozpadł się w powietrzu nad wschodnią Ukrainą, w wyniku czego wszyscy zginęli. Obszar ten był miejscem intensywnych walk między siłami ukraińskimi a separatystami, którzy według skarżących działali pod kontrolą władz rosyjskich lub w ścisłej z nimi współpracy. Holenderska Rada Bezpieczeństwa oraz Wspólny Zespół Śledczy (JIT) ustaliły, że samolot został trafiony rakietą BUK wystrzeloną z terytorium kontrolowanego przez separatystów, a system rakietowy pochodził z Rosji i tam powrócił. Skarżący, krewni ofiar, zarzucają Rosji bezpośrednią lub pośrednią odpowiedzialność za katastrofę oraz brak skutecznego śledztwa i współpracy.
Rozstrzygnięcie
Trybunał podjął decyzję o zakomunikowaniu skarg rządowi Rosji i zwrócił się o przedstawienie pisemnych uwag.

Pełny tekst orzeczenia

Persbericht   Uitgegeven door de Griffier van het Hof   ECHR 121 (2019)   04.04.2019   EHRM brengt zaken aangespannen door familieleden van de slachtoffers van   de neergehaalde Malaysia Airlines vlucht MH17 ter kennis van Rusland   Het Europees Hof voor de Rechten van de Mens heeft op 3 april besloten om de zaken Ayley e.a. t.   Rusland (nr. 25714/16) en Angline e.a. t. Rusland (nr. 56328/18) te communiceren1 aan de   Russische regering, en heeft die regering verzocht om schriftelijke opmerkingen in te dienen.   De verzoekschriften werden ingediend door nabestaanden van personen die zijn omgekomen bij het   neerhalen van vlucht MH17 boven het grondgebied van Oost-Oekraïne op 17 juli 2014.   Zij stellen met name dat Rusland direct dan wel indirect verantwoordelijk is voor de destructie van   het vliegtuig en dat Rusland nagelaten heeft om de ramp goed te onderzoeken of om mee te werken   met andere onderzoeken.   Rusland heeft herhaaldelijk elke betrokkenheid bij de destructie van het vliegtuig ontkend.   Een aan de partijen voorgelegde weergave van de feiten, met vragen van het Hof, is in het Engels   beschikbaar op de website van het Hof. De uitspraak van het Hof zal in een later stadium volgen.   De verzoekers zijn 380 individuen uit Australië, België, Canada, Duitsland, de Filipijnen, Hong Kong,   Indonesië, Israël, Maleisië, Nederland, Nieuw-Zeeland, het Verenigd Koninkrijk, de Verenigde Staten   en Vietnam.   In juli 2014 vonden hevige gevechten plaats tussen de strijdkrachten van de Oekraïense regering en   separatistische troepen in Oost-Oekraïne. Volgens de verzoekers stonden de separatisten in Oost-   Oekraïne ofwel onder de controle van de Russische autoriteiten of opereerden zij in zeer nauwe   samenwerking met hen.   Malaysia Airlines vlucht MH17 vertrok op 17 juli 2014 vanuit Amsterdam naar Kuala Lumpur. Aan   boord waren 283 passagiers en 15 bemanningsleden. Om 15:20 uur Midden-Europese tijd is het   vliegtuig, terwijl het boven Oost-Oekraïne vloog, in de lucht uiteen gevallen. Iedereen aan boord is   om het leven gekomen.   Omdat de meeste mensen aan boord de Nederlandse nationaliteit hadden, is het vervolgens   ingestelde onderzoek naar de oorzaken van de ramp, met instemming van Oekraïne, geleid door de   Nederlandse Onderzoeksraad voor Veiligheid (een onafhankelijk bestuursorgaan). In zijn   eindrapport, dat in oktober 2015 werd uitgebracht, concludeerde de Onderzoeksraad dat het   vliegtuig was geraakt door een raket die was gelanceerd door een Buk luchtdoelraketsysteem vanaf   een locatie in Oost-Oekraïens gebied.   Tegelijkertijd startte een team, bekend als het “Joint Investigation Team” (JIT), bestaande uit   politieagenten en officieren van justitie uit Australië, België, Maleisië, Nederland en Oekraïne, een   strafrechtelijk onderzoek dat nog steeds loopt.   De belangrijkste voorlopige bevindingen van het JIT, die werden gepresenteerd in 2016 en 2018,   waren dat vlucht MH17 werd neergeschoten door een BUK-raket, afgevuurd vanuit een veld in het   Pervomaiskyi gebied, dat destijds onder controle stond van pro-Russische separatisten. De raket was   In overeenstemming met artikel 54 van het Huishoudelijk Reglement van het Hof, kan een Kamer bestaande   uit zeven rechters of een President van een Sectie besluiten om een regering van een Verdragsluitende Staat in   kennis te stellen van het feit dat een verzoekschrift tegen die Staat bij het Hof aanhangig is (ook wel de   “communicatieprocedure” genoemd).   gelanceerd door apparatuur die vanuit Rusland was gebracht en vervolgens weer was   geretourneerd. De apparatuur was afkomstig van een eenheid van de strijdkrachten van de   Russische Federatie.   Op basis van de bevindingen van het JIT hebben de Nederlandse en Australische regeringen in mei   verklaard dat zij de Russische Federatie verantwoordelijk houden voor het neerhalen van   vlucht MH17. De Russische Federatie heeft iedere betrokkenheid bij de ramp ontkend en heeft   Oekraïne er de schuld van gegeven.   Verzoekschrift nr. 25714/16 is op 6 mei 2016 ingediend bij het Europees Hof voor de Rechten van de   Mens, terwijl verzoekschrift nr. 56328/18 is ingediend op 23 november 2018.   In beide zaken beroepen de verzoekers zich op artikel 2 (het recht op leven) van het Europees   Verdrag voor de Rechten van de Mens met de klacht dat Rusland, direct of indirect, verantwoordelijk   is voor de dood van hun familieleden en dat Rusland zich niet heeft gehouden aan de op die Staat   rustende verplichting om een effectief onderzoek uit te voeren of om mee te werken met andere   onderzoeken.   Voorts klagen de verzoekers over een gebrek aan medewerking van Rusland aan het internationale   onderzoek waarbij zij zich beroepen op artikel 3 (verbod op onmenselijke of vernederende   behandeling).   De verzoekers in de tweede zaak klagen daarnaast dat artikel 6 (recht op een eerlijk proces), artikel 8   (recht op eerbiediging van privé-, familie- en gezinsleven) en artikel 13 (recht op een daadwerkelijk   rechtsmiddel) van het Verdrag zijn geschonden.   Dit persbericht is een document opgesteld door de Griffie. Het is niet bindend voor het Hof.   Beslissingen, uitspraken en andere informatie over het Hof kunnen worden geraadpleegd op   www.echr.coe.int. Om persberichten van het Hof te ontvangen, kunt u zich hier abonneren:   www.echr.coe.int/RSS/en of ons volgen via Twitter @ECHR_CEDH.   Contactgegevens pers   [email protected] | tel: +33 3 90 21 42 08   Patrick Lannin (tel: +33 3 90 21 44 18)   Tracey Turner-Tretz (tel: +33 3 88 41 35 30)   Denis Lambert (tel: +33 3 90 21 41 09)   Inci Ertekin (tel: +33 3 90 21 55 30)   Somi Nikol (tel: +33 3 90 21 64 25)   Het Europees Hof voor de Rechten van de Mens is in 1959 in Straatsburg opgericht door de   lidstaten van de Raad van Europa om vermeende schendingen van het Europees Verdrag tot de   Rechten van de Mens uit 1950 te behandelen.   2

© Rada Europy / Europejski Trybunał Praw Człowieka, źródło: HUDOC (hudoc.echr.coe.int), pozyskano 12.07.2026. · Źródło