C-585/15
WyrokTSUE2017-02-09CELEX: 62015CJ0585ECLI:EU:C:2017:105
Analiza orzeczenia
Sekcja wygenerowana przez AI na podstawie treści orzeczenia — nie stanowi cytatu.
Zagadnienie prawne
Czy art. 33 ust. 1 i 2 rozporządzenia (WE) nr 2038/1999 należy interpretować w ten sposób, że średnia strata i całkowita strata powinny być obliczane na podstawie rzeczywistych wydatków na refundacje wywozowe, a w konsekwencji, czy rozporządzenia Komisji (WE) nr 2267/2000 i (WE) nr 1993/2001, które stosowały metodę opartą na teoretycznych kwotach refundacji, są ważne?Ratio decidendi
Trybunał orzekł, że zasada pełnej odpowiedzialności finansowej producentów w sektorze cukru za koszty zbytu nadwyżek wymaga, aby metoda obliczania opłat produkcyjnych nie prowadziła do zawyżenia całkowitej straty ponad rzeczywiste koszty związane z refundacjami wywozowymi. Zgodnie z art. 33 ust. 1 lit. d) rozporządzenia nr 2038/1999, średnia strata powinna być obliczana jako różnica między całkowitą kwotą refundacji a całkowitą kwotą opłat, w stosunku do całkowitej wielkości zobowiązań wywozowych. Trybunał podkreślił, że „całkowita kwota refundacji” musi odnosić się do rzeczywistych wydatków na refundacje wywozowe. Metoda stosowana przez Komisję w rozporządzeniach nr 2267/2000 i nr 1993/2001, opierająca się na teoretycznej kwocie refundacji, prowadziła do zawyżenia średniej, a w konsekwencji całkowitej straty, co było sprzeczne z art. 33 ust. 1 rozporządzenia nr 2038/1999.Stan faktyczny
Sprawa dotyczy wniosku Raffinerie Tirlemontoise SA, producenta cukru, o zwrot nadpłaconych opłat produkcyjnych w sektorze cukru za lata gospodarcze 1999/2000 do 2004/2005. Raffinerie uważała, że opłaty te były nadmierne. W szczególności, w odniesieniu do lat 1999/2000 i 2000/2001, Raffinerie argumentowała, że rozumowanie Trybunału w wyroku Zuckerfabrik Jülich (C-113/10, C-147/10 i C-234/10) podważa prawidłowość obliczeń opłat ustalonych rozporządzeniami nr 2267/2000 i nr 1993/2001. W 2014 roku zobowiązania belgijskiego biura interwencji i refundacji przeszły na państwo belgijskie.Rozstrzygnięcie
Trybunał (Trzecia izba) orzeka, co następuje:
1) Artykuł 33 ust. 1 rozporządzenia (WE) nr 2038/1999 Rady z dnia 13 września 1999 r. ustanawiającego wspólną organizację rynków w sektorze cukru należy interpretować w ten sposób, że do celów obliczenia średniej straty całkowita kwota rzeczywistych wydatków związanych z refundacjami wywozowymi dla produktów objętych tym przepisem musi być podzielona przez całkowitą ilość tych wyeksportowanych produktów, niezależnie od tego, czy refundacje zostały faktycznie wypłacone za wszystkie te produkty.
2) Artykuł 33 ust. 2 tego rozporządzenia należy interpretować w ten sposób, że do celów całkowitego obliczenia opłat produkcyjnych należy uwzględnić średnią stratę obliczoną przez podzielenie całkowitej kwoty rzeczywistych wydatków związanych z refundacjami wywozowymi dla produktów objętych tym przepisem przez całkowitą ilość tych wyeksportowanych produktów, niezależnie od tego, czy refundacje zostały faktycznie wypłacone za wszystkie te produkty.
3) Rozporządzenie (WE) nr 2267/2000 Komisji z dnia 12 października 2000 r. ustalające kwoty opłat produkcyjnych oraz współczynnik do obliczenia opłaty dodatkowej w sektorze cukru na rok gospodarczy 1999/2000, jak również rozporządzenie (WE) nr 1993/2001 Komisji z dnia 11 października 2001 r. ustalające kwoty opłat produkcyjnych w sektorze cukru na rok gospodarczy 2000/2001 są nieważne.Pełny tekst orzeczenia
ARREST VAN HET HOF (Derde kamer)
9 februari 2017 ( )
„Prejudiciële verwijzing — Suiker — Productieheffingen — Berekening van het gemiddelde verlies — Berekening van de productieheffingen — Verordening (EG) nr. 2267/2000 — Geldigheid — Verordening (EG) nr. 1993/2001 — Geldigheid”
In zaak C‑585/15,
betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door de tribunal de première instance francophone de Bruxelles (Franstalige rechtbank van eerste aanleg Brussel, België) bij beslissing van 14 oktober 2015, ingekomen bij het Hof op 12 november 2015, in de procedure
Raffinerie Tirlemontoise SA
tegen
Belgische Staat,
wijst
HET HOF (Derde kamer),
samengesteld als volgt: L. Bay Larsen (rapporteur), kamerpresident, M. Vilaras, J. Malenovský, M. Safjan en D. Šváby, rechters,
advocaat-generaal: E. Sharpston,
griffier: V. Giacobbo-Peyronnel, administrateur,
gezien de stukken en na de terechtzitting op 14 juli 2016,
gelet op de opmerkingen van:
—
Raffinerie Tirlemontoise SA, vertegenwoordigd door D. Gérard, advocaat, en H.‑J. Prieß, Rechtsanwalt,
—
de Belgische regering, vertegenwoordigd door M. Jacobs en J.‑C. Halleux als gemachtigden, bijgestaan door M. Keup en B. De Moor, advocaten,
—
de Nederlandse regering, vertegenwoordigd door B. Koopman als gemachtigde,
—
de Europese Commissie, vertegenwoordigd door A. Lewis en P. Ondrůšek als gemachtigden,
gelet op de beslissing, de advocaat-generaal gehoord, om de zaak zonder conclusie te berechten,
het navolgende
Arrest
Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van artikel 33, leden 1 en 2, van verordening (EG) nr. 2038/1999 van de Raad van 13 september 1999 houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector suiker (PB 1999, L 252, blz. 1) en de geldigheid van zowel verordening (EG) nr. 2267/2000 van de Commissie van 12 oktober 2000 tot vaststelling van de bedragen van de productieheffingen evenals de coëfficiënt voor de berekening van de aanvullende heffing in de sector suiker voor het verkoopseizoen 1999/2000 (PB 2000, L 259, blz. 29) als verordening (EG) nr. 1993/2001 van de Commissie van 11 oktober 2001 tot vaststelling van de bedragen van de productieheffingen in de sector suiker voor het verkoopseizoen 2000/2001 (PB 2001, L 271, blz. 15).
Dit verzoek is ingediend in het kader van een geding tussen Raffinerie Tirlemontoise SA (hierna: „Raffinerie”) en de Belgische Staat over een verzoek tot terugbetaling van de te veel betaalde productieheffingen op suiker voor de verkoopseizoenen 1999/2000 tot en met 2004/2005.
Toepasselijke bepalingen
Unierecht
De overwegingen 14 tot en met 17 van verordening nr. 2038/1999 luidden als volgt:
„(14)
Overwegende dat de redenen waarom de Gemeenschap tot nu toe een productiequotaregeling voor suiker, isoglucose en inulinestroop heeft aangehouden nog altijd gelden; dat hierin evenwel wijzigingen zijn aangebracht, enerzijds om rekening te houden met de recente ontwikkeling van de productie en anderzijds om de Gemeenschap de nodige instrumenten te verschaffen om op billijke maar doelmatige wijze te verzekeren, dat de kosten voor de afzet van de overschotten die voortvloeien uit de verhouding tussen de productie van de Gemeenschap en haar verbruik, volledig door de producenten zelf worden gefinancierd; dat een dergelijke regeling echter van beperkte duur moet zijn en als een overgangsregeling moet worden beschouwd;
(15)
Overwegende dat de gemeenschappelijke marktordening in de sector suiker stoelt op enerzijds, sedert het verkoopseizoen 1986/1987, het beginsel van volledige financiële verantwoordelijkheid van de producenten voor elk verkoopseizoen voor de verliezen die voortvloeien uit de afzet van de overschotten die de Gemeenschap in het kader van de quotaregeling ten opzichte van het interne verbruik produceert, en anderzijds op een stelsel van prijs- en afzetgaranties, gedifferentieerd naargelang van de aan iedere onderneming toegekende productiequota; dat in de sector suiker de productiequota per onderneming worden toegewezen aan de hand van de effectieve productie tijdens een bepaalde referentieperiode […];
(16)
[…] dat het […] wenselijk is de zelffinancieringsregeling voor de sector en de productiequotaregeling te handhaven voor een periode die met […] zes verkoopseizoenen [overeenkomt];
(17)
Overwegende dat op deze wijze het beginsel van de financiële verantwoordelijkheid wordt gegarandeerd door de bijdragen van de producenten die worden betaald in de vorm van een basisproductieheffing die geldt voor de volledige productie van A- en B‑suiker, maar die is gelimiteerd tot 2% van de interventieprijs van witte suiker, en een B‑heffing die geldt voor de productie van B‑suiker en die maximaal 37,5% van laatstgenoemde prijs mag bedragen; dat de producenten van isoglucose en inulinesiroop volgens bepaalde regels bijdragen […]”
Artikel 33, leden 1 en 2, van verordening nr. 2038/1999 bepaalde:
„1. Vóór het einde van elk verkoopseizoen worden geconstateerd:
a)
de verwachte hoeveelheden A- en B‑suiker, A- en B‑isoglucose en A- en B‑inulinestroop die voor het lopende verkoopseizoen worden geproduceerd;
b)
de hoeveelheden suiker, isoglucose en inulinestroop waarvan wordt verwacht dat zij in het lopende verkoopseizoen voor verbruik binnen de Gemeenschap zullen worden afgezet;
c)
het uit te voeren overschot, berekend door de onder a) bedoelde hoeveelheden te verminderen met de onder b) bedoelde hoeveelheden;
d)
het verwachte gemiddelde verlies of de verwachte gemiddelde opbrengst per ton suiker voor de voor het lopende verkoopseizoen na te komen uitvoerverbintenissen.
Dit gemiddelde verlies of deze gemiddelde opbrengst is gelijk aan het verschil tussen het totale bedrag van de restituties en het totale bedrag van de heffingen, gerelateerd aan de totale omvang van de betrokken uitvoerverbintenissen;
e)
het verwachte totale verlies of de verwachte totale opbrengst, berekend door vermenigvuldiging van het onder c) bedoelde overschot met het onder d) bedoelde gemiddelde verlies of de onder d) bedoelde gemiddelde opbrengst.
2. Vóór het einde van het verkoopseizoen 2000/2001 en onverminderd het bepaalde in artikel 26, lid 5, worden cumulatief voor de verkoopseizoenen 1995/1996 tot en met 2000/2001 geconstateerd:
a)
het uit te voeren overschot, uitgaande van de uiteindelijke productie van A- en B‑suiker, A- en B‑isoglucose en, vanaf het verkoopseizoen 1994/1995, A- en B‑inulinestroop, enerzijds, en van de uiteindelijke voor verbruik binnen de Gemeenschap afgezette hoeveelheid suiker, isoglucose en, vanaf het verkoopseizoen 1994/1995, inulinestroop, anderzijds;
b)
het gemiddelde verlies of de gemiddelde opbrengst per ton suiker, resulterend uit het totaal van de betrokken uitvoerverbintenissen en vastgesteld overeenkomstig de in lid 1, onder d), tweede alinea, aangegeven berekeningsmethode;
c)
het totale verlies of de totale opbrengst, berekend door vermenigvuldiging van het onder a) bedoelde overschot met het onder b) bedoelde gemiddelde verlies of de onder b) bedoelde gemiddelde opbrengst;
d)
de totale som van de geïnde basisproductieheffingen en B‑heffingen.
Het verwachte totale verlies of de verwachte totale opbrengst als bedoeld in lid 1, onder e), wordt aangepast aan de hand van het verschil tussen de cijfers die zijn geconstateerd als bedoeld onder c) en d).”
De bedragen van de productieheffingen evenals de coëfficiënt voor de berekening van de aanvullende heffing in de sector suiker werden voor het verkoopseizoen 1999/2000 vastgesteld bij verordening nr. 2267/2000. De bedragen van de productieheffingen in de sector suiker werden voor het verkoopseizoen 2000/2001 vastgesteld bij verordening nr. 1993/2001.
De overwegingen 9 tot en met 13 van verordening (EG) nr. 1260/2001 van de Raad van 19 juni 2001 houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector suiker (PB 2001, L 178, blz. 1) hadden de volgende bewoordingen:
„(9)
De redenen waarom de Gemeenschap tot nu toe met een productiequotaregeling voor suiker, isoglucose en inulinestroop heeft gewerkt, gelden momenteel nog altijd. In die regeling zijn evenwel wijzigingen aangebracht om rekening te houden met de recente ontwikkeling van de productie, de Gemeenschap de nodige instrumenten te verschaffen om op een rechtvaardige maar doelmatige wijze voor te zorgen dat de kosten die verbonden zijn aan de afzet van de overschotten die voortvloeien uit de omvang van de productie in de Gemeenschap in verhouding tot het verbruik, volledig door de producenten zelf worden gefinancierd, en te handelen in overeenstemming met de verplichtingen die voortvloeien uit de overeenkomsten die zijn bereikt bij de multilaterale handelsbesprekingen van de Uruguay-Ronde, hierna ‚GATT-overeenkomsten’ genoemd, zoals goedgekeurd bij besluit 94/800/EG [van de Raad van 22 december 1994 betreffende de sluiting, namens de Europese Gemeenschap voor wat betreft de onder haar bevoegdheid vallende aangelegenheden, van de uit de multilaterale handelsbesprekingen in het kader van de Uruguay-Ronde (1986-1994) voortvloeiende overeenkomsten (PB 1994, L 336, blz. 1)].
(10)
[…] [Het] is […] wenselijk de quotaregeling te handhaven voor de verkoopseizoenen 2001/2002 t/m 2005/2006.
(11)
De gemeenschappelijke marktordening in de sector suiker stoelt enerzijds op het beginsel van volledige financiële verantwoordelijkheid van de producenten voor elk verkoopseizoen voor de verliezen die voortvloeien uit de afzet van de overschotten die de Gemeenschap in het kader van de quotaregeling ten opzichte van het interne verbruik produceert, en anderzijds op een stelsel van naargelang van de aan iedere onderneming toegekende productiequota gedifferentieerde prijs- en afzetgaranties. In de sector suiker worden de productiequota per onderneming toegewezen op basis van de effectieve productie tijdens een bepaalde referentieperiode.
(12)
[…] Het is wenselijk de zelffinancieringsregeling met productieheffingen voor de sector en de productiequotaregeling te handhaven.
(13)
Op deze wijze wordt de financiële verantwoordelijkheid gegarandeerd door de bijdragen van de producenten die worden betaald in de vorm van een basisproductieheffing voor de volledige productie van A- en B‑suiker, maar die maximaal 2% van de interventieprijs voor witte suiker bedraagt, en een B‑heffing die geldt voor de productie van B‑suiker en maximaal 37,5% van laatstgenoemde prijs mag bedragen. De producenten van isoglucose en inulinestroop dragen volgens bepaalde regels bij. […]”
Artikel 15, leden 1 en 2, van verordening nr. 1260/2001 bepaalde:
„1. Vóór het einde van elk verkoopseizoen worden geconstateerd:
a)
de verwachte hoeveelheden A- en B‑suiker, A- en B‑isoglucose en A- en B‑inulinestroop die voor het lopende verkoopseizoen worden geproduceerd;
b)
de hoeveelheden suiker, isoglucose en inulinestroop waarvan wordt verwacht dat zij in het lopende verkoopseizoen voor verbruik binnen de Gemeenschap zullen worden afgezet;
c)
het uit te voeren overschot, berekend door de onder a) bedoelde hoeveelheden te verminderen met de onder b) bedoelde hoeveelheden;
d)
het verwachte gemiddelde verlies of de verwachte gemiddelde opbrengst per ton suiker voor de voor het lopende verkoopseizoen na te komen uitvoerverbintenissen.
Dit gemiddelde verlies of deze gemiddelde opbrengst is gelijk aan het verschil tussen het totale bedrag van de restituties en het totale bedrag van de heffingen, gerelateerd aan de totale omvang van de betrokken uitvoerverbintenissen;
e)
het verwachte totale verlies of de verwachte totale opbrengst, berekend door vermenigvuldiging van het onder c) bedoelde overschot met het onder d) bedoelde gemiddelde verlies of de onder d) bedoelde gemiddelde opbrengst.
2. Vóór het einde van het verkoopseizoen 2005/2006 en onverminderd het bepaalde in artikel 10, leden 3 tot en met 6, worden cumulatief voor de verkoopseizoenen 2001/2002 en 2005/2006 geconstateerd:
a)
het uit te voeren overschot, uitgaande van de uiteindelijke productie van A- en B‑suiker, A- en B‑isoglucose en A- en B‑inulinestroop, enerzijds, en van de uiteindelijke voor verbruik binnen de Gemeenschap afgezette hoeveelheid suiker, isoglucose en inulinestroop, anderzijds;
b)
het gemiddelde verlies of de gemiddelde opbrengst per ton suiker, resulterend uit het totaal van de betrokken uitvoerverbintenissen en vastgesteld overeenkomstig de in lid 1, onder d), tweede alinea, aangegeven berekeningsmethode;
c)
het totale verlies of de totale opbrengst, berekend door vermenigvuldiging van het onder a) bedoelde overschot met het onder b) bedoelde gemiddelde verlies of de onder b) bedoelde gemiddelde opbrengst;
d)
de totale som van de geïnde basisproductieheffingen en B‑heffingen.
Het verwachte totale verlies of de verwachte totale opbrengst als bedoeld in lid 1, onder e) wordt aangepast aan de hand van het verschil tussen de cijfers die zijn geconstateerd als bedoeld onder c) en d).”
Hoofdgeding en prejudiciële vragen
De vennootschap Raffinerie produceert suiker.
Omdat zij van mening was dat de door haar betaalde productieheffingen voor de verkoopseizoenen 1999/2000 tot en met 2005/2006 buitensporig waren, heeft Raffinerie tegen het Belgisch interventie- en restitutiebureau beroep tot terugbetaling van de te veel betaalde productieheffingen ingesteld.
Op 1 juli 2014 zijn de verplichtingen uit het verleden, te weten met name de schuldvorderingen en de schulden, van het Belgisch interventie- en restitutiebureau overgegaan op de Belgische Staat.
Met betrekking tot inzonderheid de verkoopseizoenen 1999/2000 en 2000/2001 betoogt Raffinerie dat de redenering die het Hof heeft gevolgd in het arrest van 27 september 2012, Zuckerfabrik Jülich (C‑113/10, C‑147/10 en C‑234/10, EU:C:2012:591), twijfels oproept over de berekening van de heffingen die voor deze twee seizoenen zijn vastgesteld door respectievelijk de verordeningen nr. 2267/2000 en nr. 1993/2001, maar dat het Hof, in het kader van de prejudiciële vragen die tot dusver zijn gesteld, zich met betrekking tot deze twee verordeningen nog niet heeft hoeven uit te spreken over de ongeldigheidsgronden die het in zijn arrest heeft vastgesteld.
In die context heeft de tribunal de première instance francophone de Bruxelles de behandeling van de zaak geschorst en het Hof de volgende prejudiciële vragen gesteld:
„1)
Moet artikel 33, lid 1, van verordening nr. 2038/1999, in het bijzonder tegen de achtergrond van het arrest van 27 september 2012, Zuckerfabrik Jülich (C‑113/10, C‑147/10 en C‑234/10, [EU:C:2012:591]), aldus worden uitgelegd dat voor de berekening van het gemiddelde verlies voor alle categorieën uitgevoerde suiker de som van alle reële uitgaven moet worden gedeeld door de som van de uitgevoerde hoeveelheden, ongeacht of voor die hoeveelheden daadwerkelijk restituties zijn betaald?
2)
Moet artikel 33, lid 2, van verordening nr. 2038/1999, in het bijzonder tegen de achtergrond van het arrest van 27 september 2012, Zuckerfabrik Jülich (C‑113/10, C‑147/10 en C‑234/10, [EU:C:2012:591]), aldus worden uitgelegd dat de overdrachten waarmee rekening moet worden gehouden (als debet- of creditfactor) bij de algemene berekening van de heffingen op de productie, voor alle categorieën uitgevoerde suiker moeten worden berekend als de som van alle reële uitgaven gedeeld door de som van de werkelijk uitgevoerde hoeveelheden, ongeacht of voor die hoeveelheden daadwerkelijk restituties bij uitvoer zijn betaald?
3)
Zijn, in geval van een bevestigend antwoord op de eerste vraag, de verordeningen nr. 2267/2000 en nr. 1993/2001 ongeldig?”
Beantwoording van de prejudiciële vragen
Opmerkingen vooraf
Van meet af aan dient te worden opgemerkt, ten eerste, dat artikel 33 van verordening nr. 2038/1999, waarbij de criteria worden vastgesteld voor de bepaling van de productieheffingen voor de verkoopseizoenen 1995/1996 tot en met 2000/2001, en artikel 15 van verordening nr. 1260/2001, waarbij de criteria worden vastgesteld voor de bepaling van de productieheffingen voor de verkoopseizoenen 2001/2002 tot en met 2005/2006, wat lid 1 betreft, in wezen identiek zijn (zie in die zin arrest van 8 mei 2008, Zuckerfabrik Jülich e.a., C‑5/06 en C‑23/06–C‑36/06, EU:C:2008:260, punt 31). Hetzelfde geldt voor artikel 33, lid 2, van verordening nr. 2038/1999 en artikel 15, lid 2, van verordening nr. 1260/2001.
Ten tweede zijn de overwegingen 15 tot en met 17 van verordening nr. 2038/1999, die aan artikel 33 ervan ten grondslag liggen, in wezen identiek aan de overwegingen 11 tot en met 13 van verordening nr. 1260/2001, die aan artikel 15 ervan ten grondslag liggen.
Derhalve moet worden vastgesteld, zoals Raffinerie, de Belgische regering en de Commissie aanvoeren, dat artikel 33, leden 1 en 2, van verordening nr. 2038/1999 en artikel 15, leden 1 en 2, van verordening nr. 1260/2001 op eenvormige wijze moeten worden uitgelegd.
Eerste vraag
Volgens artikel 33, lid 1, onder d), van verordening nr. 2038/1999 is het gemiddelde verlies gelijk aan het verschil tussen het totale bedrag van de restituties en het totale bedrag van de heffingen, gerelateerd aan de totale omvang van de uitvoerverbintenissen voor het lopende verkoopseizoen (zie in die zin arresten van 8 mei 2008, Zuckerfabrik Jülich e.a., C‑5/06 en C‑23/06–C‑36/06, EU:C:2008:260, punt 46, en 27 september 2012, Zuckerfabrik Jülich e.a., C‑113/10, C‑147/10 en C‑234/10, EU:C:2012:591, punt 39).
Het begrip „voor het lopende verkoopseizoen na te komen uitvoerverbintenissen”, waarvan de omvang overeenkomstig artikel 33, lid 1, onder d), van verordening nr. 2038/1999 de noemer vormt van de verhouding voor de berekening van het gemiddelde verlies, moet elke onder artikel 33 van deze verordening vallende hoeveelheid producten omvatten die bestemd is voor uitvoer uit de Europese Gemeenschap, waarbij de vraag of uitvoerrestituties zijn toegekend voor voor de uitvoer bestemde hoeveelheden producten irrelevant is in het kader van dit begrip (zie in die zin arrest van 8 mei 2008, Zuckerfabrik Jülich e.a., C‑5/06 en C‑23/06–C‑36/06, EU:C:2008:260, punten 49‑51).
Bijgevolg moet bij de vaststelling van het verwachte gemiddelde verlies per ton product overeenkomstig artikel 33, lid 1, van verordening nr. 2038/1999 rekening worden gehouden met alle onder dat artikel vallende uitgevoerde hoeveelheden producten, ongeacht of daarvoor daadwerkelijk restituties zijn betaald (zie in die zin arrest van 8 mei 2008, Zuckerfabrik Jülich e.a., C‑5/06 en C‑23/06–C‑36/06, EU:C:2008:260, punt 61).
Het „totale restitutiebedrag”, dat overeenkomstig artikel 33, lid 1, onder d), van verordening nr. 2038/1999 deel uitmaakt van de teller van de verhouding op grond waarvan het gemiddelde verlies kan worden berekend, moet rechtstreeks verband houden met de aan de afzet van overschotten van de producten van de suikersector gerelateerde kosten voor de begroting van de Gemeenschap, en dus uitgaan van het bedrag van de uitvoerrestituties die zijn betaald om de afzet te verzekeren van de hoeveelheden producten waarvoor uitvoerverbintenissen zijn aangegaan (zie in die zin arrest van 27 september 2012, Zuckerfabrik Jülich e.a., C‑113/10, C‑147/10 en C‑234/10, EU:C:2012:591, punten 48 en 49).
Gelet op het voorgaande dient op de eerste vraag te worden geantwoord dat artikel 33, lid 1, van verordening nr. 2038/1999 aldus moet worden uitgelegd dat, voor de berekening van het gemiddelde verlies, het totale bedrag van de reële uitgaven die verband houden met de uitvoerrestituties voor de onder deze bepaling vallende producten, moet worden gedeeld door de totale hoeveelheid van deze uitgevoerde producten, ongeacht of voor laatstbedoelde producten daadwerkelijk restituties zijn betaald.
Tweede vraag
Opgemerkt dient te worden dat krachtens verordening nr. 2038/1999, en met name artikel 33 ervan, de productieheffingen worden berekend op basis van het totale verlies (zie in die zin arrest van 8 mei 2008, Zuckerfabrik Jülich e.a., C‑5/06 en C‑23/06–C‑36/06, EU:C:2008:260, punt 41).
In dat verband zij eraan herinnerd dat deze verordening, net zoals verordening nr. 1260/2001, tot doel heeft een zelffinancieringsregeling in te voeren voor de aan de afzet van de overschotten gerelateerde kosten, door op een billijke maar doelmatige wijze ervoor te zorgen dat deze kosten volledig door de producenten zelf worden gefinancierd. Bijgevolg mag de vastgestelde berekeningsmethode er in de praktijk niet toe leiden dat het totale verlies a priori hoger wordt gesteld dan het bedrag van de kosten die verband houden met de restituties ter zake van de afzet van de overschotten die de Gemeenschap produceert (zie in die zin arresten van 8 mei 2008, Zuckerfabrik Jülich e.a., C‑5/06, C‑23/06–C‑36/06, EU:C:2008:260, punten 44, 57 en 60, en 27 september 2012, Zuckerfabrik Jülich e.a., C‑113/10, C‑147/10 en C‑234/10, EU:C:2012:591, punt 46).
Volgens de bewoordingen van artikel 33, lid 2, onder c), van die verordening wordt het totale verlies berekend door het uit te voeren overschot te vermenigvuldigen met het gemiddelde verlies. Elke overschatting van het gemiddelde verlies leidt bijgevolg onvermijdelijk tot een overschatting van het totale verlies, en dus tot de vaststelling van te hoge productieheffingen (zie naar analogie arrest van 27 september 2012, Zuckerfabrik Jülich e.a., C‑113/10, C‑147/10 en C‑234/10, EU:C:2012:591, punt 47).
Het gemiddelde verlies in de zin van artikel 33, lid 2, onder b), van verordening nr. 2038/1999 wordt vastgesteld overeenkomstig de in artikel 33, lid 1, onder d), tweede alinea, van die verordening opgenomen berekeningsmethode.
Bijgevolg vinden de in de punten 17 tot en met 19 van het onderhavige arrest gedane vaststellingen betreffende deze laatste bepaling eveneens toepassing met betrekking tot artikel 33, lid 2, onder b), van verordening nr. 2038/1999.
Bijgevolg dient op de tweede vraag te worden geantwoord dat artikel 33, lid 2, van verordening nr. 2038/1999 aldus moet worden uitgelegd dat, voor de totale berekening van de productieheffingen, rekening moet worden gehouden met het gemiddelde verlies, berekend door het totale bedrag van de reële uitgaven die verband houden met de uitvoerrestituties voor de onder deze bepaling vallende producten, te delen door de totale hoeveelheid van deze uitgevoerde producten, ongeacht of voor laatstbedoelde producten daadwerkelijk restituties zijn betaald.
Derde vraag
Van belang is eraan te herinneren dat het Hof heeft vastgesteld dat bij de door de Commissie gebruikte methode om de bedragen van de productieheffingen voor de suikersector te bepalen, zoals vastgesteld door verordening (EG) nr. 1193/2009 van de Commissie van 3 november 2009 houdende rectificatie van de verordeningen (EG) nr. 1762/2003, (EG) nr. 1775/2004, (EG) nr. 1686/2005 en (EG) nr. 164/2007 en houdende vaststelling van de bedragen van de productieheffingen in de sector suiker voor de verkoopseizoenen 2002/2003, 2003/2004, 2004/2005 en 2005/2006 (PB 2009, L 321, blz. 1), niet werd uitgegaan van het bedrag van de uitvoerrestituties die waren betaald om de afzet te verzekeren van de hoeveelheden suiker in verwerkte producten waarvoor uitvoerverbintenissen waren aangegaan. Het Hof heeft immers geoordeeld dat deze berekeningsmethode bestond in de toewijzing aan al deze hoeveelheden van een theoretisch restitutiebedrag, dat op het gemiddelde van de door de Commissie op regelmatige tijdstippen vastgestelde bedragen was gebaseerd, ongeacht of effectief een eventuele restitutie werd betaald en los van het reële bedrag ervan (arrest van 27 september 2012, Zuckerfabrik Jülich e.a., C‑113/10, C‑147/10 en C‑234/10, EU:C:2012:591, punt 48).
Gelet op het feit dat een dergelijk theoretisch restitutiebedrag werd gebruikt als deel van de noemer van de verhouding voor de berekening van het gemiddelde verlies, impliceerde deze verhoging van de noemer noodzakelijkerwijs een overschatting van het gemiddelde verlies en dus van het totale verlies, wat in strijd is met artikel 15, lid 1, van verordening nr. 1260/2001 (zie in die zin arrest van 27 september 2012, Zuckerfabrik Jülich e.a., C‑113/10, C‑147/10 en C‑234/10, EU:C:2012:591, punt 50).
Bijgevolg werd verordening nr. 1193/2009, met betrekking tot de andere bepalingen dan artikel 3, dat reeds nietig was verklaard door het Gerecht van de Europese Unie bij arrest van 29 september 2011, Polen/Commissie (T‑4/06, niet gepubliceerd, EU:T:2011:546), door het Hof ongeldig verklaard bij arrest van 27 september 2012, Zuckerfabrik Jülich e.a. (C‑113/10, C‑147/10 en C‑234/10, EU:C:2012:591, punt 54).
Vast staat dat bij de door de Commissie gebruikte methode om de bedragen van de productieheffingen voor de suikersector te bepalen, zoals vastgesteld door verordeningen nr. 2267/2000 en nr. 1993/2001, evenmin werd uitgegaan van het reële bedrag van de uitvoerrestituties die werden betaald om de afzet te verzekeren van de hoeveelheden suiker in verwerkte producten waarvoor uitvoerverbintenissen waren aangegaan.
Aangezien een dergelijke berekeningsmethode, om de in punt 28 van het onderhavige arrest in herinnering gebrachte redenen, een overschatting impliceerde van het gemiddelde verlies en dus van het totale verlies, moet ook deze methode worden geacht in strijd te zijn met artikel 33, lid 1, van verordening nr. 2038/1999.
Derhalve dient de derde vraag aldus te worden beantwoord dat verordeningen nr. 2267/2000 en nr. 1993/2001 ongeldig zijn.
Beperking van de werking van dit arrest in de tijd
De Commissie voert aan dat, gelet op het tijdsverloop sinds de vaststelling van de verordeningen nr. 2267/2000 en nr. 1993/2001, de moeilijkheid om de gegevens betreffende de in het hoofdgeding aan de orde zijnde jaren terug te vinden, en het feit dat bepaalde, toen nog bestaande marktdeelnemers thans zijn verdwenen, het Hof de gevolgen van de ongeldigverklaring van deze verordeningen dient te beperken door het voordeel ervan voor te behouden aan de ondernemingen die vóór de datum van uitspraak van het onderhavige arrest een beroep of een soortgelijke vordering hebben ingesteld tot terugbetaling van de bedragen die ten onrechte zijn betaald uit hoofde van door die verordeningen vastgestelde productieheffingen in de sector suiker.
Een dergelijke beperking in de tijd van de gevolgen van de ongeldigverklaring zou de ondernemingen die een beroep of een soortgelijke vordering hebben ingesteld, de rechtsbescherming van hun rechten niet ontnemen. Integendeel, op deze wijze zou worden voorkomen dat een situatie ontstaat waarin de mededinging tussen in de oude lidstaten gevestigde ondernemingen en ondernemingen die zijn gevestigd in de na 2004 tot de Europese Unie toegetreden lidstaten, kan worden verstoord doordat enkel eerstbedoelde ondernemingen in aanmerking zouden kunnen komen voor terugbetaling van de te veel betaalde heffingen.
Het Koninkrijk België betoogde ter terechtzitting dat er geen enkel objectief verschil bestond op basis waarvan een onderscheid kan worden gemaakt tussen de situatie van ondernemingen die vóór de datum van uitspraak van het onderhavige arrest een beroep hebben ingesteld, en die van ondernemingen die geen dergelijk beroep hebben ingesteld, en deze lidstaat heeft bijgevolg in overweging gegeven de gevolgen van de ongeldigverklaring van de verordeningen nr. 2267/2000 en nr. 1993/2001 te beperken tot de toekomst.
Tot slot voerden Raffinerie en het Koninkrijk der Nederlanden in hun pleidooien aan dat er in casu geen sprake is van dwingende redenen van rechtszekerheid die een beperking in de tijd van de werking van de ongeldigverklaring van die verordeningen rechtvaardigen.
In dit verband zij eraan herinnerd dat het Hof, wanneer dwingende redenen van rechtszekerheid dit rechtvaardigen, ingevolge artikel 264, tweede alinea, VWEU, dat van overeenkomstige toepassing is op krachtens artikel 267 VWEU ingediende verzoeken om een prejudiciële beslissing over de geldigheid van handelingen van de Unie, bevoegd is om van geval tot geval die gevolgen van de betrokken handeling aan te wijzen welke als gehandhaafd moeten worden beschouwd (arrest van 28 april 2016, Borealis Polyolefine e.a., C‑191/14, C‑192/14, C‑295/14, C‑389/14 en C‑391/14–C‑393/14, EU:C:2016:311, punt 103).
Zo heeft het Hof gebruikgemaakt van de mogelijkheid om de werking van de vastgestelde ongeldigheid van een bepaling van een Unieregeling te beperken in de tijd, wanneer dwingende redenen van rechtszekerheid die verband houden met alle betrokken belangen, openbare zowel als particuliere, eraan in de weg staan dat de bedragen die op grond van deze regeling over de periode voorafgaande aan de datum van het arrest zijn geheven of betaald, weer in geding worden gebracht (arrest van 8 november 2001, Silos, C‑228/99, EU:C:2001:599, punt 36).
In casu kan noch de moeilijkheid om de gegevens betreffende de verkoopseizoenen 1999/2000 en 2000/2001 terug te vinden, noch het feit dat bepaalde marktdeelnemers die nog bestonden in de periode waarover het gaat in het hoofdgeding, thans zijn verdwenen, worden beschouwd als een dwingende reden van rechtszekerheid die een beperking in de tijd van de gevolgen van het onderhavige arrest rechtvaardigt.
Bovendien kan het feit dat de in de „oude” lidstaten gevestigde ondernemingen die voor de verkoopseizoenen 1999/2000 en 2000/2001 de heffingen moesten betalen, terugbetaling zouden moeten krijgen van de te veel betaalde heffingen, niet de mededinging verstoren tussen deze ondernemingen en die welke gevestigd zijn in de lidstaten die vanaf 2004 tot de Europese Unie zijn toegetreden, aangezien deze terugbetaling slechts tot doel heeft een einde te maken aan een nadelige situatie waarin deze eerste categorie ondernemingen verkeert.
In die omstandigheden hoeft de werking van het onderhavige arrest niet in de tijd te worden beperkt.
Kosten
Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de nationale rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.
Het Hof (Derde kamer) verklaart voor recht:
1)
Artikel 33, lid 1, van verordening (EG) nr. 2038/1999 van de Raad van 13 september 1999 houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector suiker moet aldus worden uitgelegd dat, voor de berekening van het gemiddelde verlies, het totale bedrag van de reële uitgaven die verband houden met de uitvoerrestituties voor de onder deze bepaling vallende producten, moet worden gedeeld door de totale hoeveelheid van deze uitgevoerde producten, ongeacht of voor laatstbedoelde producten daadwerkelijk restituties zijn betaald.
2)
Artikel 33, lid 2, van die verordening moet aldus worden uitgelegd dat, voor de totale berekening van de productieheffingen, rekening moet worden gehouden met het gemiddelde verlies, berekend door het totale bedrag van de reële uitgaven die verband houden met de uitvoerrestituties voor de onder deze bepaling vallende producten, te delen door de totale hoeveelheid van deze uitgevoerde producten, ongeacht of voor laatstbedoelde producten daadwerkelijk restituties zijn betaald.
3)
Verordening (EG) nr. 2267/2000 van de Commissie van 12 oktober 2000 tot vaststelling van de bedragen van de productieheffingen evenals de coëfficiënt voor de berekening van de aanvullende heffing in de sector suiker voor het verkoopseizoen 1999/2000 alsmede verordening (EG) nr. 1993/2001 van de Commissie van 11 oktober 2001 tot vaststelling van de bedragen van de productieheffingen in de sector suiker voor het verkoopseizoen 2000/2001 zijn ongeldig.
ondertekeningen
( ) Procestaal: Frans.
© Unia Europejska, źródło: EUR-Lex (eur-lex.europa.eu), pozyskano 13.07.2026. Autentyczne są wyłącznie wersje opublikowane w Dz. Urz. UE. · Źródło