T-52/91

WyrokTSUE1994-03-17CELEX: 61991TJ0052ECLI:EU:T:1994:32

Analiza orzeczenia

Sekcja wygenerowana przez AI na podstawie treści orzeczenia — nie stanowi cytatu.

Zagadnienie prawne
Czy decyzja Komisji o rozwiązaniu umowy o pracę tymczasowego urzędnika, oparta na niezaliczeniu przez niego konkursu porównawczego, jest zgodna z prawem, w szczególności w kontekście wymogu uzasadnienia decyzji i istnienia ważnej przyczyny zwolnienia, jeśli decyzja jury konkursowej została unieważniona?
Ratio decidendi
Sąd stwierdził, że decyzja o jednostronnym rozwiązaniu umowy o pracę na czas nieokreślony tymczasowego urzędnika nie wymaga uzasadnienia, ze względu na swobodę oceny organu powołującego przewidzianą w art. 47 ust. 2 Regulaminu innych pracowników. Jednakże, decyzja o zwolnieniu musi opierać się na legalnych podstawach. W niniejszej sprawie, ponieważ w równoległej sprawie (T-44/91) Sąd unieważnił decyzję jury konkursu porównawczego, na której oparto zwolnienie skarżącej, oznacza to, że decyzja Komisji o rozwiązaniu umowy opierała się na niezgodnej z prawem podstawie. Tym samym Komisja przekroczyła granice swojej swobody oceny, co uzasadnia unieważnienie decyzji o zwolnieniu.
Stan faktyczny
C. Smets była tymczasową urzędniczką Komisji Europejskiej, zatrudnioną od 1 października 1984 r., a od 8 listopada 1988 r. na czas nieokreślony. W warunkach przedłużenia jej umowy zawarto klauzulę zobowiązującą ją do przystąpienia do najbliższego konkursu porównawczego i przewidującą rozwiązanie umowy w przypadku niepowodzenia. Skarżąca przystąpiła do konkursu COM/LA/2/89, ale nie zdała egzaminu ustnego. W konsekwencji, 8 marca 1991 r. poinformowano ją, że nie została umieszczona na liście kandydatów, a 11 marca 1991 r. Komisja powiadomiła ją o rozwiązaniu umowy o pracę z trzymiesięcznym okresem wypowiedzenia.
Rozstrzygnięcie
1) Unieważnia decyzję Komisji o rozwiązaniu umowy o pracę skarżącej jako tymczasowego urzędnika, o której powiadomiono ją pismem z dnia 11 marca 1991 r. 2) Obciąża Komisję kosztami, w tym kosztami postępowania w trybie pilnym.

Pełny tekst orzeczenia

ARREST VAN HET GERECHT (Vierde kamer) maart 1994 ( *1 ) „Tijdelijk functionaris - Intern vergelijkend onderzoek - Ontslag” In zaak T-52/91, C. Smets, voormalig tijdelijk functionaris van de Commissie van de Europese Gemeenschappen, wonende te Overijse (België), vertegenwoordigd door G. van der Wal, advocaat te 's-Gravenhage, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg ten kantore van A. May, advocaat aldaar, Grand-Rue 31, verzoekster, tegen Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door haar juridisch adviseur J. Griesmar en door P. Lafili, lid van de juridische dienst, als gemachtigden, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg bij G. Kremlis, lid van de juridische dienst, Centre Wagner, Kirchberg, verweerster, betreffende een beroep tot nietigverklaring van de beëindiging, bij brief van 11 maart 1991 van de directeur-generaal Personeelszaken en algemeen beheer van de Commissie, van de overeenkomst tot aanstelling van verzoekster als tijdelijk functionaris, wijst HET GERECHT VAN EERSTE AANLEG (Vierde kamer), samengesteld als volgt: C. W. Bellamy, kamerpresident, H. Kirschner en C. P. Briët, rechters, griffier: H. Jung gezien de stukken en na de mondelinge behandeling op 30 juni 1993, het navolgende Arrest De feiten en het procesverloop Nadat verzoekster, C. Smets, een versnelde opleidingsstage voor leerling-tolken bij de Gemeenschappelijke Tolken- en Conferentiedienst (hierna: „GTCD”) van de Commissie had voltooid, werd zij door de Commissie op 1 oktober 1984 voor de duur van twee jaar aangesteld als tijdelijk functionaris in de functie van adjunct-tolk in de rang LA 8 bij de taalgroep Nederlands. Per 1 oktober 1985 werd zij bevorderd tot tolk in de rang LA 7. Bij brief van 19 september 1986 werd verzoeksters aanstelling verlengd tot en met 31 december 1987 en bij overeenkomst van 28 december 1987 tot en met 30 juni 1988. In artikel 5 van de overeenkomst was bepaald, dat deze kon worden beëindigd „op grond van de redenen en onder de voorwaarden van de artikelen 47 tot en met 50 van de regeling die van toepassing is op de andere personeelsleden” en dat de opzeggingstermijn maximaal drie maanden bedroeg. Bij brief van 24 mei 1988 werd de aanstelling verlengd tot en met 31 december 1988. Ten slotte werd verzoekster er bij brief van 8 november 1988 van in kennis gesteld, dat het bevoegde gezag had besloten haar aanstelling als tijdelijk functionaris voor onbepaalde tijd te verlengen. De verlengingen van verzoeksters aanstelling van 24 mei 1988 en 8 november 1988 bevatten de volgende toevoeging: „Het spreekt vanzelf dat U zich moet aanmelden voor het eerstvolgend externe vergelijkend onderzoek voor tolken/adjunct-tolken dat voor U open zou staan; mocht U hiervoor niet slagen, dan zal Uw contract worden opgezegd.” In juli 1989 meldde verzoekster zich aan voor intern vergelijkend onderzoek COM/LA/2/89, dat door de Commissie werd georganiseerd voor de vorming van een aanwervingsreserve voor adjunct-tolken. Op 25 november 1989 nam zij deel aan het verplichte schriftelijk examen en op 29 november 1990 aan het mondeling examen van het vergelijkend onderzoek; dit laatste bestond uit zes verplichte onderdelen. Na afloop van het derde mondelinge onderdeel deelde de secretaris van de jury verzoekster mee, dat zij niet tot de andere examenonderdelen kon worden toegelaten. Bij brief van 8 maart 1991 deelde het hoofd van de eenheid Aanwerving van het directoraat Personeelszaken/rechten en verplichtingen, van het directoraat-generaal Personeelszaken en algemeen beheer van de Commissie verzoekster mee, dat zij niet was geplaatst op de na afloop van vergelijkend onderzoek COM/LA/2/89 vastgestelde lijst van geschikte kandidaten, op grond dat zij niet het minimumaantal punten had behaald. Bij brief van 11 maart 1991 deelde de directeur-generaal Personeelszaken en algemeen beheer van de Commissie verzoekster mee, dat het tot aanstelling bevoegde gezag overeenkomstig artikel 5 van haar overeenkomst had besloten, haar aanstelling als tijdelijk functionaris te beëindigen. Deze zou worden beëindigd op 12 juni 1991 's avonds, na afloop van de in de overeenkomst vastgestelde opzeggingstermijn van drie maanden. Op 7 juni 1991 diende verzoekster krachtens artikel 46 van de Regeling welke van toepassing is op de andere personeelsleden van de Europese Gemeenschappen (hierna: de „Regeling”) en artikel 90 van het Statuut van de ambtenaren van de Europese Gemeenschappen (hierna: het „Statuut”) een klacht in tegen het besluit van 11 maart 1991. Bij besluit van 9 januari 1992, door verzoekster ontvangen op 7 februari 1992, wees de Commissie verzoeksters klacht af. In deze omstandigheden heeft verzoekster bij op 27 juni 1991 ter griffie van het Gerecht neergelegd verzoekschrift het onderhavige beroep ingesteld, strekkende tot nietigverklaring van het besluit van verweerster tot beëindiging van haar overeenkomst tot aanstelling als tijdelijk functionaris. Bij afzonderlijke akte, op dezelfde dag ter griffie neergelegd, heeft verzoekster tevens krachtens de artikelen 185 en 186 EEG-Verdrag bij het Gerecht een verzoek ingediend strekkende tot opschorting van de tenuitvoerlegging van het ontslagbesluit en heeft zij het Gerecht verzocht te gelasten, dat de overeenkomst tot aanstelling van verzoekster als tijdelijk functionaris hangende de procedure in de hoofdzaak wordt voortgezet. Bij beschikking van 1 augustus 1991 (zaak T-52/91 R, Smets, Jurispr. 1991, blz. II-689) heeft de president van de Vijfde kamer van het Gerecht het verzoek om opschorting van de tenuitvoerlegging afgewezen en de beslissing omtrent de kosten aangehouden tot de eindbeslissing in de hoofdzaak. Bij beschikking van 5 februari 1992 heeft het Gerecht (Vierde kamer), op gezamenlijk verzoek van partijen, de behandeling van de zaak geschorst in afwachting van het door de Commissie naar aanleiding van verzoeksters klacht te nemen besluit. Bij besluit van de president van de Vierde kamer van 9 maart 1992 is de schorsing beëindigd en de behandeling hervat. Het Gerecht (Vierde kamer) heeft, op rapport van de rechter-rapporteur, besloten tot de mondelinge behandeling over te gaan. Bij brief van de griffier van 26 mei 1993 heeft het Gerecht partijen vragen gesteld, die deze binnen de gestelde termijnen hebben beantwoord. Op 30 juni 1993 heeft de president van de Vierde kamer, partijen gehoord, besloten de onderhavige zaak voor de mondelinge behandeling te voegen met de eveneens door verzoekster aanhangig gemaakte zaak T-44/91, betreffende een beroep tot nietigverklaring van vergelijkend onderzoek COM/LA/2/89, en met de door P. E. Hoyer aanhangig gemaakte zaken T-43/91 en T-51 /9 1, betreffende een beroep tot nietigverklaring van vergelijkend onderzoek COM/LA/2/89 respectievelijk de beëindiging door de Commissie van de aanstellingsovereenkomst van P. E. Hoyer, nadat deze niet voor voornoemd vergelijkend onderzoek was geslaagd. Partijen zijn ter terechtzitting van 30 juni 1993 in hun pleidooien en hun antwoorden op de vragen van het Gerecht gehoord. Bij brief van 8 juli 1993 heeft de Commissie geantwoord op een ter terechtzitting door het Gerecht gestelde vraag. Bij brief van 14 juli 1993 heeft verzoekster haar opmerkingen over het antwoord van de Commissie kenbaar gemaakt. Bij besluit van 17 juli 1993 heeft de kamerpresident de mondelinge behandeling gesloten verklaard. Conclusies van partijen Verzoekster concludeert dat het het Gerecht behage: 1) het beroep ontvankelijk te verklaren; 2) nietig te verklaren het besluit van verweerster tot beëindiging per 12 juni 1991 van verzoeksters aanstelling als tijdelijk functionaris, die op 24 mei 1988 is ingegaan en op 8 november 1988 voor onbepaalde tijd is verlengd; 3) verweerster in de kosten te verwijzen. Verweerster concludeert dat het het Gerecht behage: 1) het beroep te verwerpen; 2) verzoekster in de kosten te verwijzen. Ten gronde Ter ondersteuning van haar conclusies voert verzoekster drie middelen aan. In de eerste plaats gebrek aan motivering van het ontslagbesluit, in de tweede plaats het ontbreken van een geldige reden voor ontslag en in de derde plaats schending van een aantal algemene beginselen van gemeenschapsrecht. Het middel inzake gebrek aan motivering van het ontslagbesluit Argumenten van partijen Verzoekster verwijt verweerster, de beëindiging van haar overeenkomst in het haar bij brief van 11 maart 1991 meegedeelde ontslagbesluit niet met redenen te hebben omkleed. Dit gebrek aan motivering zou in strijd zijn met artikel 190 EEG-Verdrag en met artikel 25, tweede alinea, van het Statuut juncto artikel 11 van de Regeling. De Commissie antwoordt, dat de mogelijkheid tot eenzijdige beëindiging was opgenomen in artikel 5 van de aanstellingsovereenkomst, waarin werd verwezen naar artikel 47 van de Regeling, bepalende dat overeenkomsten voor onbepaalde tijd eindigen na afloop van de in de overeenkomst vastgestelde opzeggingstermijn. Blijkens vaste rechtspraak, aldus de Commissie, in het bijzonder het arrest van het Gerecht van 28 januari 1992 (zaak T-45/90, Speybrouck, Jurispr. 1992, blz. II-33, r.o. 93), behoeft een besluit tot beëindiging van een overeenkomst als tijdelijk functionaris niet met redenen te worden omkleed. Beoordeling door het Gerecht Het Gerecht stelt om te beginnen vast, dat verzoekster een tijdelijk functionaris was die voor onbepaalde tijd door de Commissie was aangesteld, en dat haar rechtspositie derhalve werd beheerst door de Regeling. Artikel 11 van de Regeling bepaalt, dat de artikelen 11 tot en met 26 van het Statuut, betreffende de rechten en verplichtingen van de ambtenaar, van overeenkomstige toepassing zijn op personeelsleden die op grond van een overeenkomst door de Gemeenschappen zijn aangesteld. Artikel 25, tweede alinea, van het Statuut, waarin de in artikel 190 EEG-Verdrag neergelegde algemene verplichting is overgenomen, luidt als volgt: „Elk besluit dat overeenkomstig dit statuut ten aanzien van een ambtenaar wordt genomen, dient onverwijld schriftelijk te zijner kennis te worden gebracht. Iedere voor hem nadelige beslissing dient met redenen te zijn omkleed.” Artikel 47, sub 2, a, van de Regeling verleent het tot aanstelling bevoegde gezag een grote beoordelingsvrijheid, waar dit bepaalt: „Behalve door overlijden eindigt de dienst van de tijdelijke functionaris: (...) 2. bij overeenkomsten voor onbepaalde tijd: a) na afloop van de in de overeenkomst vastgestelde opzeggingstermijn (...)” Op het moment waarop verzoekster werd ontslagen, werden de contractuele betrekkingen tussen de Commissie en verzoekster beheerst door de bepalingen van de aanstellingsovereenkomst van 28 december 1987, zoals gewijzigd bij brief van 8 november 1988. De mogelijkheid tot eenzijdige beëindiging was voorzien in artikel 5 van de overeenkomst, waarin met name werd verwezen naar de artikelen 47 tot en met 50 van de Regeling. Bovendien was in de brief van 8 november 1988 duidelijk vermeld, dat de overeenkomst zou worden beëindigd indien betrokkene niet zou slagen voor het eerstvolgende externe vergelijkend onderzoek voor tolken/adjunct-tolken. Het is vaste rechtspraak van het Hof en van het Gerecht, dat de in de arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd van een tijdelijk functionaris uitdrukkelijk voorziene eenzijdige beëindiging niet met redenen behoeft te worden omkleed, ongeacht van welke partij het initiatief daartoe uitgaat (arrest Hof van 18 oktober 1977, zaak 25/68, Schertzer, Jurispr. 1977, blz. 1729, r.o. 39; arrest Speybrouck, reeds aangehaald, r.o. 93). Het ontbreken van motivering wordt gerechtvaardigd door de beoordelingsvrijheid die artikel 47, sub 2, van de Regeling het bevoegde gezag ten aanzien van de beëindiging van een dergelijke overeenkomst toekent (arrest Hof van 26 februari 1981, zaak 25/80, De Briey, Jurispr. 1981, blz. 637, r.o. 9). In dit opzicht verschilt de positie van een tijdelijk functionaris van die van een statutair ambtenaar, zodat de overeenkomstige toepassing van artikel 25 van het Statuut, zoals die in algemene bewoordingen in artikel 11 van de Regeling is voorzien, wordt uitgesloten. Blijkens het voorgaande behoefde het in de brief van 11 maart 1991 vervatte besluit tot eenzijdige beëindiging van verzoeksters aanstellingsovereenkomst niet met redenen te worden omkleed. Derhalve moet het middel inzake gebrek aan motivering worden verworpen. Het middel inzake het ontbreken van een geldige reden voor ontslag Argumenten van partijen Volgens verzoekster is het ontslagbesluit ongeldig, aangezien het niet is gebaseerd op een van de redenen vermeld in de artikelen 47 tot en met 50 van de Regeling, waarnaar in artikel 5 van haar aanstellingsovereenkomst wordt verwezen, noch op een andere gegronde reden, zoals onvoldoende geschiktheid voor het ambt, noch op een reden van dienstbelang. Bovendien is dit besluit, voor zover het is gebaseerd op het feit dat zij niet is geslaagd voor vergelijkend onderzoek COM/LA/2/89, onrechtmatig, in de eerste plaats omdat het niet slagen voor een vergelijkend onderzoek geen gegronde reden vormt voor ontslag en in de tweede plaats omdat het vergelijkend onderzoek, althans het besluit van de jury om verzoekster niet op de lijst van geschikte kandidaten te plaatsen, hoe dan ook onwettig is. Volgens de Commissie valt de beëindiging van een aanstellingsovereenkomst voor onbepaalde tijd onder de beoordelingsvrijheid van verweerster, als bevoegd gezag. Zij is van mening, dat verzoeksters aanstelling om een geldige reden rechtmatig is beëindigd. Bovendien heeft verzoekster er zich, gelet op hetgeen contractueel was overeengekomen, noodzakelijkerwijs rekenschap van gegeven, dat haar ontslag het gevolg was van het feit dat zij niet was geslaagd voor vergelijkend onderzoek COM/LA/2/89. Beoordeling door het Gerecht Het Gerecht brengt in herinnering dat in de brief van 8 november 1988, waarbij verzoekster ervan in kennis werd gesteld dat het bevoegde gezag had besloten haar aanstelling als tijdelijk functionaris voor onbepaalde tijd te verlengen, duidelijk te kennen was gegeven dat verzoekster verplicht was deel te nemen aan het eerstvolgende externe vergelijkend onderzoek voor tolken/adjunct-tolken en dat de overeenkomst zou worden beëindigd indien zij hiervoor niet zou slagen. Het Gerecht stelt vast, dat verzoekster zich heeft aangemeld voor het eerste vergelijkend onderzoek dat na ondertekening van haar overeenkomst door de Commissie werd georganiseerd. Het betrof hier intern vergelijkend onderzoek COM/LA/2/89. Op dat tijdstip leed het voor verzoekster geen twijfel, dat zij contractueel gehouden was om aan dit vergelijkend onderzoek deel te nemen, hoewel in de brief van 8 november 1988 enkel werd gedoeld op de deelneming aan een extern vergelijkend onderzoek. Verzoekster heeft op 25 november 1989 deelgenomen aan het verplichte schriftelijk examen van het vergelijkend onderzoek en op 29 november 1990 aan de eerste drie mondelinge examenonderdelen. Bij brief van vrijdag 8 maart 1991 werd zij ervan in kennis gesteld, dat zij niet was geplaatst op de na afloop van het vergelijkend onderzoek vastgestelde lijst van geschikte kandidaten. Bij brief van maandag 11 maart 1991 werd haar meegedeeld, dat zij werd ontslagen. In de loop van de behandeling heeft de Commissie bevestigd, dat er een rechtstreeks verband bestond tussen verzoeksters ontslag en het feit dat zij niet was geslaagd voor het vergelijkend onderzoek. Bovendien heeft de Commissie gesteld - hetgeen ook door verzoekster is bevestigd - dat zij na bekendmaking van de uitslag van vergelijkend onderzoek COM/LA/2/89 de aanstellingsovereenkomsten van alle personeelsleden die niet waren geslaagd, heeft beëindigd. Naar het oordeel van het Gerecht is in deze omstandigheden rechtens genoegzaam aangetoond, dat verzoeksters ontslag uitsluitend is gebaseerd op het feit dat zij niet is geslaagd voor vergelijkend onderzoek COM/LA/2/89. Blijkens artikel 47, sub 2, van de Regeling valt het beëindigen van de overeenkomsten van tijdelijke functionarissen voor onbepaalde tijd, met de in de overeenkomst voorziene en met genoemde bepaling overeenstemmende opzeggingstermijn, onder de beoordelingsvrijheid van het bevoegde gezag (zie met name arrest De Briey, reeds aangehaald, r.o. 7). Derhalve kan het Gerecht een ontslagbesluit en de eraan ten grondslag liggende redenen slechts veroordelen indien de grenzen van die beoordelingsvrijheid zijn overschreden. Het Gerecht is van oordeel, dat het geen controle kan uitoefenen op de rechtmatigheid van het besluit van een instelling tot beëindiging van een overeenkomst, wanneer dat besluit is gebaseerd op het feit dat het betrokken personeelslid niet behoort tot de geslaagde kandidaten van een bepaald vergelijkend onderzoek, tenzij kennelijke dwaling omtrent de niet-inschrijving van de betrokkene op de lijst van geslaagde kandidaten of omtrent de wettigheid van het besluit van de jury kan worden aangetoond, of indien blijkt dat misbruik van bevoegdheid is gemaakt. In zijn arrest van 17 maart 1994 (zaak T-44/91, Smets, Jurispr. 1994, blz. II-319) heeft het Gerecht het besluit van de jury van 8 maart 1991 om verzoekster niet op de lijst van geschikte kandidaten van vergelijkend onderzoek COM/LA/2/89 te plaatsen, nietig verklaard. Hieruit volgt, dat het door de Commissie genomen ontslagbesluit op een onwettig besluit is gebaseerd. In deze omstandigheden is het Gerecht van oordeel, dat de Commissie de grenzen van haar beoordelingsbevoegdheid heeft miskend, door haar ontslagbesluit te baseren op een onwettig besluit van de jury van het vergelijkend onderzoek. Uit bovenstaande overwegingen volgt, dat het onderhavige middel gegrond is. Mitsdien moet verweersters besluit houdende beëindiging van de overeenkomst tot aanstelling van verzoekster als tijdelijk functionaris, waarvan deze bij brief van 11 maart 1991 in kennis is gesteld, nietig worden verklaard, zonder dat het derde door verzoekster aangevoerde middel behoeft te worden onderzocht. Kosten Ingevolge artikel 87, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering moet de in het ongelijk gestelde partij in de kosten worden verwezen, voor zover zulks is gevorderd. Aangezien de Commissie in het ongelijk is gesteld, dient zij in de kosten te worden verwezen, daaronder begrepen de kosten van de procedure in kort geding.   HET GERECHT VAN EERSTE AANLEG (Vierde kamer) rechtdoende:   1) Verklaart nietig het per brief van 11 maart 1991 ter kennis van verzoekster gebrachte besluit van de Commissie houdende beëindiging van de overeenkomst tot aanstelling van verzoekster als tijdelijk functionaris.   2) Verwijst de Commissie in de kosten, daaronder begrepen de kosten van de procedure in kort geding.   Bellamy Kirschner Briët Uitgesproken ter openbare terechtzitting te Luxemburg op 17 maart 1994. De griffier H. Jung De president van de Vierde kamer C. W. Bellamy ( *1 ) Processal Nederlands.

© Unia Europejska, źródło: EUR-Lex (eur-lex.europa.eu), pozyskano 13.07.2026. Autentyczne są wyłącznie wersje opublikowane w Dz. Urz. UE. · Źródło